Hans (88) ‘Ik geloof niet in toeval wanneer het gaat om wezenlijke keuzes in het leven. Ik heb te veel verschillende signalen gekregen. Het was voor mij duidelijk, ik wilde tropenarts worden.’

Tijdens uw leven heeft u verschillende tekenen over de ziekte lepra gekregen. Toeval?
‘Ik geloof niet in dit soort toeval. Zo was mijn tante onderwijzeres in Nederlands-Indië en ze stuurde mij brieven met beschrijvingen en prachtige foto’s van het Javaanse landschap. Als vierjarige raakte ik betoverd en wilde ik bioloog worden om de Indische natuur te beschermen. Toen ik in 1951 als eindexamenkandidaat een keuze moest maken voor een vervolgopleiding, besprak ik dit met een vriend. Zijn jongere broertje, de later bekend geworden beeldhouwer-glazenier Joep Nicolas, luisterde zwijgzaam toe en bracht mij later op mijn verjaardag een geboetseerd beeldje van een Afrikaanse leprapatiënt. Ook tekende ik als klein jongetje graag een schuurtje in de bergen. Heel veel later, in 1990, zag ik het schuurtje van mijn tekeningen terug in de bergen van Bhutan; het was een zeer afgelegen leprahospitaaltje van de zending. De signalen bleken dus niet voor niets te zijn geweest; ze duidden niet alleen op de vorm, tropenarts, maar ook op de inhoud!’

In Nieuw-Guinea had u uw eerste ontmoeting met leprapatiënten?
‘Ja, ik werd als militair arts in 1962 uitgezonden naar Nieuw-Guinea. Vlak voor onze repatriëring naar Nederland bezocht ik de leprakolonie “Kilometer 12”, die diep in de jungle ligt en waar nonnen leprapatiënten goed verzorgden. Dit bezoek maakte veel indruk op me. Ook omdat deze patiënten, uit angst voor besmetting, naar deze plek werden verbannen.’

Na uw terugkeer in Nederland, werd u al snel gevraagd als tropenarts in Tanzania te starten. Kwam u daar ook met lepra in aanraking?
‘Ja, en wel in een relatief groot plattelandsziekenhuis waar we met twee artsen verantwoordelijk waren voor 250 bedden. Mijn voorganger gaf me nog twee prioriteiten mee (mocht ik tijd over hebben(!)): de opleiding van mannelijke assistent-artsen én de bestrijding van lepra. Na vier maanden kwam ik tot de conclusie dat onze hulpverlening zeer weinig effect had op de gezondheidsverbetering van de patiënten. Het ziekenhuis was een soort ivoren toren en voor velen onbereikbaar om tijdig behandeld te kunnen worden.

Mobiele lepra- en tuberculosebestrijding
Ik had intussen ontdekt dat in dit gebied veel lepra voorkwam. De al opgenomen patiënten wilden geen leprapatiënten in hun omgeving uit angst voor besmetting. Ik wilde de bakens volledig verzetten en de hoogste prioriteit geven aan basale gezondheidszorg (Primary Health Care; PHC). Dit hield o.a. in de ‘poorten van het ziekenhuis’ verder te openen en de mensen stap voor stap dichter bij huis te bereiken. Letterlijk via een hulppost ‘under the mangotree’ want mobiele lepra- en tuberculose-bestrijding leek een eerste logische stap. Ik moest dan wel leproloog worden, en de dichtstbijzijnde plek om die kennis te vergaren was het St. Francis leprosarium in Buluba, Uganda. Het stond onder leiding van de Poolse arts dr. Wanda Blenska, op 13 uur rijden van Sengerema, een eerste hobbel in nog een lange weg te gaan.’

U gaf leprapatiënten weer kans op genezing?
‘Ja, dat mag je wel zeggen. Door buiten het ziekenhuis een speciale afdeling te bouwen waar zij wel behandeld mochten worden, maar ook door lepra- en tuberculosepatiënten zo dicht mogelijk bij hun huis en zo regelmatig mogelijk te bezoeken. Door lokaal aanwezig te zijn, zagen wij ook allerlei andere klachten en symptomen. Indien nodig, vervoerden we deze patiënten ook naar het ziekenhuis. Persoonlijke gezondheidzorg is immers alle patiënten in een vroeg stadium helpen.’

Wat waren de drijfveren van uw moeder om u financiële te steunen?
‘Mijn moeder was een kordate vrouw, die geleerd had goed Frans te spreken en met veel animo een tabakszaak leidde; een echte zakenvrouw. Mijn vader was verantwoordelijk voor een drukkerij annex boekhandel. Als jonge ouders hadden zij weinig tijd voor hun twee zoontjes in hun hectische zakenwereld. Toen mijn moeder meer tijd had, ontpopte ze zich tot een enorme hulp en steun. Dit blijkt uit de oprichting van de Leprastichting, waarbij ze ook het veldwerk in ogenschouw nam. Wat haar drijfveren waren? Daar rest ons slechts gissen; de innerlijke kant van het leven en bespiegelingen kwamen, ook op latere leeftijd, zelden aan de orde.

Oplossingen bieden
Natuurlijk werd mijn moeder geraakt door hoe leprapatiënten werden behandeld maar zij ging vooral voor oplossingen. En dat gold ook voor leprabestrijding; samen met Dick Leiker wilde ze bijdragen aan een wereld zonder lepra. Mijn moeder heeft niet voor niets het secretariaat van de Leprastichting gevoerd. Ook nog toen ik Tanzania al had verlaten en in andere landen betrokken was bij het opzetten van (lokale) gezondheidsprogramma’s.’

Tot op hoge leeftijd heeft u zich ingezet voor landelijke en lokale gezondheidszorg?
‘Zeker, actief blijven houd je jong. Ondanks tegenslagen, hebben mijn vrouw Marie Thérèse en ik, ons ingezet voor gezondheidszorg in ontwikkelingslanden; 18 jaar ter plekke en de rest van de tijd vanuit Nederland. Uitdagingen waren er genoeg, zeker als je met een jong gezin op een afgelegen plaats moet werken en vaak van huis bent. Desondanks hebben we onze passie kunnen doorgeven; zo is mijn jongste zoon momenteel tropenarts in Kenia.’

U eindigt uw familieverhaal met een mooie boodschap
‘Ja, onze latere missies in Bhutan en Tibet hebben ons verder aan het denken gebracht, vooral wat men onder gezondheidszorg moet verstaan in gebieden buiten West-Europa en de Verenigde Staten.
De traditionele geneeskunde in Tibet is gebaseerd op de genezing van de innerlijke en de zorg voor de uiterlijke mens, evenals het evenwicht tussen beiden. Dit in tegenstelling tot de westerse geneeskunde waar tijdslimieten, de toepassingsproblemen van moderne technologische methoden en het bereiken van optimaal resultaat de boventoon voeren.

Hoelang zal het nog duren voordat beide principes elkaar ontmoeten en elkaar op voet van gelijkheid versterken?
Om daar nog een wijsheid uit ‘het Tibetaanse boek van leven en sterven’ (Sogyal Rinpoche) aan toe te voegen: Wordt het niet tijd dat de (westerse) medische professie gaat begrijpen dat de zoektocht naar de waarheid over leven en dood en de praktijk van de geneeskunde niet los van elkaar staan?’

De Leprastichting zet zich actief in voor het geestelijk welzijn en de mentale weerbaarheid van leprapatiënten. Hier wordt veel aandacht aan besteed door voorlichting, training en het opzetten van zelfzorggroepen om zelfredzaamheid en verbondenheid te vergroten. Een van haar leprabestrijdingsprogramma’s is gericht om uitsluiting te voorkomen. Meer informatie? Ga naar:  Leprabestrijdingsprogramma’s

 

Schrijf u in voor de e-mailnieuwsbrief en ontvang nieuws en informatie over acties of volg ons op social media.